Herpes Simplex virus (HSV) is wijd verspreid. HSV behoort samen met Varicella-Zoster virus, Cytomegalovirus, Epstein-Barr virus, HHV-6, -7, en -8 tot de groep van de humane, pathogene Herpesvirussen. Na een primaire infectie met HSV blijft het virus latent aanwezig, waardoor reactivering mogelijk is. Vooral bij personen met een verzwakte immuniteit kunnen de gevolgen ernstig zijn.
Een primaire infectie met HSV type 1 kan karakteristieke huidletsels op lippen en mond en ook conjunctivitis veroorzaken. Door HSV geinduceerde encephalitis is mogelijk. Een primaire infectie met HSV type 2 kan vulvo-vaginale huidletsels of letsels ter hoogte van scrotum en penis veroorzaken.
Het opsporen van IgG antistoffen tegen HSV in serum of plasma wordt gebruikt om de immuniteitsstatus van de patient te bepalen en voor het vaststellen van een actieve infectie in geval van seroconversie. Dit laatste is vooral van belang bij patienten onder immuunsuppressiva (aidspatienten, leukemiepatienten?) die mogelijks geen specifieke IgM antistoffen tegen HSV kunnen ontwikkelen. IgG seroconversie treedt op, typisch enkele dagen na aanvang van de primaire infectie.
Het opsporen van IgG antistoffen tegen HSV in cerebrospinaal vocht kan nuttig zijn bij vermoeden van HSV geinduceerde encephalitis. De IgG antistoffen blijven na contact met HSV-1 of -2 levenslang in het bloed aanwezig. Seroconversie of significante titerstijging bij analyse van gepaarde monsters kan een primaire infectie of re-infectie bevestigen.